Wat is stotteren?

Stotteren is een spraakstoornis die ervoor zorgt dat je onvloeiend gaat spreken.

 

Hoe komt het dat een kind stottert?

Er is een genetische aanleg voor stotteren. Een samenspel van genen zorgt voor een andere hersenontwikkeling. Stotteren is dus aangeboren.
In de meerderheid van de gevallen stottert een kind voor het eerst voor de leeftijd van 3 jaar. Stotteren kan ook later ontstaan.
Stotteruitlokkende factoren
zorgen ervoor dat het stotteren op een bepaald moment tot uiting komt én dat het stotteren bijna altijd sterk op en neer gaat.

De meest voorkomende uitlokkende factoren zijn:

  • Groei: denk aan de spurt in de taalontwikkeling rond 2-3 jaar, hormonen bij de puberteit
  • Emoties: dit kunnen zowel positieve als negatieve emoties zijn: opwinding, zenuwachtigheid, boos zijn, jaloers zijn, verdrietig zijn…
  • Vermoeidheid
  • Taaldruk: de zin moet juist gemaakt worden, het begin van de zin, moeilijke woorden
  • Spreekdruk: je moet NU iets vertellen, iets vertellen in de kring, je krijgt heel veel vragen na elkaar, iets juist moeten articuleren…
  • Tijdsdruk: door elkaar praten, elkaar onderbreken, niet laten uitspreken, in gehaaste omstandigheden moeten praten, onderbroken worden…

 

Wat kan je als leerkracht doen om het stotteren te verminderen?

In de mate van het mogelijke kan je als leerkracht proberen de uitlokkende factoren te vermijden of te verminderen. Zo kan je ervoor proberen te zorgen dat het kind dat stottert zeker niet onderbroken wordt wanneer hij/zij iets vertelt of dat je ervoor zorgt dat je het kind niet onder druk zet om iets te vertellen in de kring. Natuurlijk: als het kind zelf iets wil vertellen, is het zeker goed om het kind aan te moedigen!
Je kan er zelf ook op letten dat je traag spreekt en op het taalniveau van het kind. Zo leg je vanzelf minder taal-en spreekdruk.

Treed zeker streng en kordaat op wanneer je opmerkt dat een kind wordt uitgelachen. 

 

Hoe herken je stotteren?

Stotteren wordt weleens verward met normale onvloeiendheden die iedereen weleens heeft.
Normale onvloeiendheden zijn:

  • Een stille pauze
  • “Eum” zeggen
  • Een zin veranderen
  • Woorden toevoegen
  • Een woord volledig herhalen

 

Bij stottermomenten, in tegenstelling bij normale onvloeiendheden, wordt het woord doorbroken.
Stottermomenten zijn:

  • Een herhaling van een klank of lettergreep bvb. B b b bal of ma ma ma maar
  • Een verlenging van een klank bvb. Vvvvvis of eeeeen
  • Een blokkering: dit hoor je niet maar zie je wel bvb. ___boek (je ziet de lippen vastzitten)

Wanneer een kind op minstens 3 % van de woorden een stottermoment heeft, kan je echt van stotteren spreken.

 

Hoe ontwikkelt stotteren zich?

Hoe langer iemand stottert, hoe meer het stotteren zich meestal ook ontwikkelt.
Stotteren wordt dan geassocieerd met bepaalde negatieve gedachten en gevoelens. Zo kan een kind beginnen denken “als ik iets vertel, gaan ze mij uitlachen” of “ik moet vlot zijn, anders kijken ze weer raar”. Bij stotteren begint een kind zich dan verdrietig, boos of zenuwachtig te voelen.
Dit zorgt dan soms op zijn beurt voor nog meer stotters.
Sommige kinderen gaan vermijden door te doen alsof ze het antwoord niet weten, minder te praten of bepaalde situaties te ontlopen. Andere kinderen gaan duwen op hun stotters met hun hand, voet of hoofd. Nog andere kinderen gaan de stotters uitstellen door hun zin telkens opnieuw te beginnen of heel veel “eum” te zeggen voor een stotter.
Dit noemen we secundair stottergedrag.

 

Wat met spreekadviezen?

Heel vaak krijgen kinderen een heleboel goedbedoelde spreekadviezen.
 Voorbeelden zijn: “praat eens trager”, “zeg het eens opnieuw”, “adem eens goed in”,...
 Hoe meer een kind zo’n adviezen krijgt, hoe meer het bewustzijn groeit en hoe meer stotteren zich ontwikkelt. Je reageert dus het best door gewoon af te wachten en geduldig te luisteren!

 

Wanneer verwijs je best door?

Wanneer je opmerkt dat een kind stottert, verwijs je best meteen door naar een logopedist met specialisatie stotteren. De logopedist zal dan een onderzoek doen en bespreken met de ouders of het nodig is al een behandeling te starten. Als het bijvoorbeeld over heel licht stotteren gaat, kan het zijn dat de ouders gewoon tips en adviezen krijgen en na enkele maanden opnieuw op onderzoek komen.
Algemeen geldt: hoe jonger het kind is, hoe meer kans dat het stotteren overgaat. Niet afwachten dus! De hersenen zijn dan nog flexibeler en er is nog minder secundair gedrag aanwezig. Als kleuterleerkracht heb je hier dus een zeer cruciale rol!